Soja isoflavonen en hormonale therapie bieden een gelijkwaardige bescherming tegen postmenopauzale osteoporose
Studie
In deze studie wil men nagaan of soja isoflavonen een alternatief kunnen zijn voor ‘hormone replacement therapy’ (HRT) in de evolutie van postmenopauzale botontkalking.
Osteoporose bij postmenopauzale vrouwen is een veel voorkomend probleem, met significante co-morbiditeit op latere leeftijd. Het risico op een osteoporotische fractuur bedraagt reeds 40% en de prevalentie hiervan stijgt nog steeds.
Om de botontkalking bij postmenopauzale vrouwen te remmen wordt vaak naar hormonale therapie (HRT) gegrepen. Echter door de vele risico’s die aan dergelijke hormoonbehandelingen verbonden zijn (trombose, borstkanker, beroertes en coronaire ziekten) wordt HRT nog slechts zelden als eerste keuze gebruikt in de preventie van osteoporose. Opdat het risico op osteoporotische fracturen bij postmenopauzale vrouwen niet verder zou toenemen is het een absolute noodzaak alternatieve oplossingen te zoeken die dezelfde symptomen met minder bijwerkingen kunnen behandelen.
Fyto-oestrogenen (selectieve oestrogeen receptor modulatoren) komen de laatste jaren steeds meer in de aandacht omwille van hun positieve effecten op menopauzale ongemakken en hun karakteristieke oestrogeenbinding, die voornamelijk inwerkt op de gunstige bèta-oestrogeen receptoren. Deze eigenschappen zijn het meest uitgesproken voor genistein, daidzein en hun derivaten (vb. equol), wat de voornaamste isoflavonen zijn in de sojaboon.
In deze studie wilden de onderzoekers de effectiviteit van soja isoflavonen vergelijken met HRT en nagaan of deze de botontkalking in dezelfde mate kon tegengaan in postmenopauzale vrouwen. Hiervoor bestudeerde men de botdensiteit met X-ray metingen en de snelheid van bot resorptie aan de hand van D-Pyr levels in de urine.
Het aantal personen met osteoporose was significant verlaagd na 12 maanden behandeling met soja isoflavonen, in dezelfde mate als met HRT. De gemiddelde D-Pyr waarden daalden met 11.38% in de groep die met fyto-oestrogenen werd behandeld (p<0.05) en met 15.32% in de HRT-groep (p<0.05). De waarden in de controlegroep stegen met 4.38%. Er werden geen majeure verschillen genoteerd tussen de effectiviteit van HRT en fyto-oestrogenen wat betreft de botdensiteit en bot resorptie.
Figuur 1 | Distributie van patiënten met D-Pyr waarden groter dan 6 nM/mM creatine. Na 12 maanden behandeling kende het percentage patiënten met D-Pyr > 6 nM/mM creatine een vergelijkbare daling in de groepen behandeld met soja-isoflavonen als met HRT (25.81% en 31.58%). Het aantal patiënten in de controlegroep nam over deze periode toe met 10.38%).
Bron: Tit et al. (Journal of Clinical Medicine), gepubliceerd 21 september 2018
- Link naar de volledige studie
- Heeft u een vraag? Gebruik het contactformulier.